Terug naar gedichten
Middeleeuws martelwerktuig
’t Is geen dag meer
en als het dag is- is het hels.
Onder het oordeel van de slaghamer
wikkel ik me in de pels van een roofdier.
Jaag als opgeschoten wild
door stadse savannes.
Loten enten zich:
In het felle licht van de zon
bijt ik me los van kapotte dromen.
In de nacht viert het ego hoogtij:
Achter zilveren streken liggen klavervelden.
Op de bergwand glinsteren appels,
er is hoop en een maaltijd.
Tijd vlakt het land af.
In los zand ‘n oase,
waar krijgsheren dansen
onder het gezag van de sultan.
Ik word een van zijn vele concubines.
Onder pek en veren leert hij me jongleren:
In zijn hand tover ik konijnen
uit hoge hoeden
tapdans ik een thuis voor onze kinderen.
Ridders draven aan op zwarte merries,
laven aan borsten vol melk en honing.
Deze zoete zonde brengt de opperprins ten val…
Angstig wandel ik in het donkere dal,
jaloerse wintervorsten wachten
op mij en mijn nageslacht.
Kronen me tot keizerin,
een afgodsbeeld.
Ik wil geen vergulde moederkoe zijn
maar de hoedster van de muze
die mij illusies leerde toveren.
Ik ween …
Ween kelken vol kristallen tranen,
verwelkte bloemen versplinteren.
In wanen verkilt de herfstzon.
Ik loop mee met losgeslagen schapen.
Tel de dagen van weleer af.
In de massa
ben ik niemand;
dan stof ten over om te lezen.