Terug naar gedichten
Eenheid van de mens
Ik ben niet anders dan, niet vreemder dan de mensen om me heen .Een geest. Al is die verdeeld en begrenst men de massa. Toch ben ik! Alles, alles om me heen. Al zijn we vaker een product. Een radar. Toch ben ik! Een hart, dat klopt in het volk.
Zo kennen anderen de man, een wees. De genen: van haar die regeert en ons het allermeeste het beste wenst . Mama aarde. Mocht zij maar altijd razen over werelddelen dan waren wij allen niet ongelukkig. Papa? Noch slik jij de smart, de wandaad in maar raast alleen maar .
Tsunami: zij geloven dat u de volkeren slaat. Waar blijft de muze? Als uren catastrofes, tijd ontheemd, de geest ten onder gaat . Zijn wij dan allen toch anders? Veranderen wij niet continu? En de machine blijft maar draaien, ook in de nacht, met dag en ontij.
Anarchie: wij loven mat golven kwaad. Kwijt: de illusie, de dromen. Dan turen we op stromingen, zijn vreemd, men weet zonder raad geen strakke lijn te maken. Noch zijn we allen samen. De revolutie: bij de wind die waait onderlijft men de onmacht. De hogere macht lacht.
Wij zijn! Niet een. Altijd eens, oneens. Toch samen het hart dat klopt. Het volk. Zo zijn wij een geest. Maar part noch deel, toch allen massa. Op deze aarde: gedeeld product! En allen mensen die niet weten. Wij ademen dezelfde lucht. Gelijk, de muzen zijn wij Een en toch weer anders.
Amanda