Terug naar gedichten
Dansen tussen de tulpenbollen
Herfstbladeren knisperen in mijn hand,
het wolvenjong is me ontgroeid.
Er bloeien al sneeuwklokjes in het niemandsland.
Donzige vogels trippelen, gisteren is verdwenen.
Net als het Hof van Eden: De fata morgana die ik me inbeeldde.
De lente lacht cadans, de anarchie van de natuur.
Hier wordt een oase gevormd; vol vuurbloemen, distels,
nachtvogels, glimwormen. En ik, ik dans met strontvliegen.
Vlinder met de regenboogman, nog eenmaal, andermaal,
tot de wintervorst ons pad zal kruizen, kale wegen stormt.
De geschiedenis zich herhaalt:
Donderkinderen in het licht van de morgenzon weer thuiskomen.
22 februari 2007 Amanda
reageer